zeevruchtengids.org/nl/begrippenlijst
  • Nederlands
  • English
  • Français

Laatst bijgewerkt: december 2016

 

Antropogeen: gerelateerd aan de activiteiten van de mens. Omvat alle directe en indirecte effecten veroorzaakt door de activiteiten van de mens.

 

Aquatische natuurlijke hulpbronnen: het geheel van bestanden (stocks) van soorten die toegankelijk zijn en ontginbaar zijn door de visserij; het geheel van aquatische soorten (mariene en/of zoetwater) waarvoor commerciële interesse bestaat.

 

Beheerplan: geheel van voorschriften die de manier bepalen waarop een visserij over meerdere jaren wordt geregeld om een langetermijndoelstelling te behalen.

 

Benthisch: bentische organismen leven op of in de bodem van de zee of oceaan. Bentische vissen hebben een nauwe en permanente link met de zeebodem. Tong, schol en tarbot bijvoorbeeld leven op zand- of slibbodem. Kongeraal, schorpioenvis en zaagbaarzen leven boven rotsige bodems. Bentische vissen (bodemvissen) worden bevist met bodemsleepnetten, kieuwnetten en warrelnetten of met beuglijnen op de bodem.

 

Bestand (stock): deel van een populatie van een vissoort aanwezig in een bepaalde geografische zone. Kan ook worden gedefinieerd als dat deel van de populatie van een soort dat bereikbaar is voor de vistuigen.
• Gezond/duurzaam bestand (stock): bestand dat geniet van een volle voortplantingscapaciteit, omdat er voldoende reproducerende individuen aanwezig zijn.
• Ten volle geëxploiteerd bestand (stock): bestand dat onderhevig is aan een maximale exploitatie, maar waarbij geen gevaar dreigt voor de hulpbron. Indien de visserijinspanning zou toenemen, zou het rendement theoretisch gezien gaan dalen.
• Overbevist bestand (stock): bestand dat onderhevig is (of was) aan te grote vangsten, hoger dan de capaciteit van de soort om terug aan te groeien. Er zijn niet langer voldoende geslachtrijpe individuen aanwezig om de hernieuwing van de stock te waarborgen. Het bestand loopt het gevaar in te storten. Als een bestand licht boven het MDOniveau overbevist wordt, dan wordt vooral het rendement van de visserijen gereduceerd, maar is de stock zelf niet in gevaar.

 

BGA: Beschermde Geografische Aanduiding. Door Europa erkend als streekproduct.

 

Bijvangst: soorten die mee opgevist worden, maar niet de eigenlijke doelsoort zijn van de visserij. Het kan gaan over vissen, schaal- en schelpdieren, schildpadden, mariene zeezoogdieren, beschermde soorten… Een deel van de bijvangst kan worden vercommercialiseerd, een ander deel wordt teruggegooid.


Biomassa: totale hoeveelheid (in gewicht) van een set van organismen die leeft in een bepaalde omgeving (zoals in: ‘de biomassa van een stock’).

 

CITES: Convention on International Trade in  Endangered Species of Wild Fauna and Flora. www.cites.org


CNPMEM: Comité National des Pêches Maritimes et des Elevages Marins; een Franse nationale producentenorganisatie (visserij en aquacultuur); overkoepelt diverse regionale en (inter)departementale producentencomités. www.comite-peches.fr


CPUE (Cath Per Unit Effort): Vangst per eenheid van inspanning of vangstsnelheid. Hoeveelheid gevangen vis (gemeten in aantal of in gewicht) door een bepaald vistuig binnen een bepaalde tijd. CPUE is een maat voor het rendement van een bepaalde visserijactiviteit en is een goede indicator voor de dichtheid van de geëxploiteerde stock.

 

Demersaal: een demersale soort leeft in de nabijheid van de bodem, zonder er echt permanent contact mee te moeten hebben (bv. kabeljauwachtigen). Dit in tegenstelling tot bentische vissen die een nauwere en meer permanente link hebben met de zeebodem (bv. platvissen).

 

Duurzaam: bestemd om lange tijd stabiel te kunnen blijven. De term ‘duurzame ontwikkeling’ werd voor het eerst gebruikt in het Bruntland-rapport dat in 1987 werd uitgebracht door de VN-Commissie voor Milieu en Ontwikkeling. Het rapport spreekt over “een ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen”. Deze definitie is ondertussen op grote schaal internationaal aangenomen. Dit ontwikkelingsmodel steunt op een ideaal evenwicht tussen drie pilaren: ecologische, economische en sociale belangen. Binnen de visserij betekent dit concreet dat men het exploitatieniveau zo moet aanpassen dat er niet meer vis wordt onttrokken dan er door natuurlijke aanwas vanzelf terug bij kan komen.


Duurzame exploitatie: exploitatie die in de tijd kan blijven duren en de risico’s op het instorten van de ontgonnen stock minimaliseert. Binnen de visserijwetenschappen worden gewoonlijk twee referentiepunten gebruikt voor het karakteriseren van visbestanden en hun exploitatie:
• de drempelwaarde waaronder de paaibiomassa niet mag komen, omdat er anders een risico bestaat dat de stock zich niet voldoende kan hernieuwen (risico op uitputting).

• het niveau van de visserijsterfte, waarboven visserijactiviteiten een te hoge impact krijgen op de capaciteit van een stock om terug aan te groeien en de voorraad te hernieuwen.

 

Ecologische voetafdruk: een maat voor de druk door de mens op de natuur om aan zijn behoeften te kunnen voldoen. Dit instrument geeft weer hoeveel biologisch productieve grond- en wateroppervlakte nodig is om het consumptieniveau te kunnen  handhaven en de afvalproductie te kunnen verwerken.

 

FAO: Food and Agriculture Organisation (Voedsel- en Landbouworganisatie) van de Verenigde Naties, o.a. bezig met het monitoren van de visserij en aquacultuur wereldwijd. www.fao.org/fishery/en


FEAP: Federation of European Aquaculture Producers (Europese Federatie voor aquacultuurproducenten). www.feap.info


ICCAT: International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (internationale commissie voor het beheer van de Atlantische tonijnen). www.iccat.int/en


ILVO: Instituut voor Landbouw-, Visserij en Voedingsonderzoek. Vlaamse zeewetenschappelijke onderzoeksinstelling. www.ilvo.vlaanderen.be


IROZ: Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (in het Engels: International Council for the Exploration of the Sea - ICES; in het Frans: Conseil International pour l’Exploration de la Mer - CIEM). www.ices.dk

 

Ifremer: Institut français de recherche pour l’exploitation de la mer. Franse zeewetenschappelijke instelling. wwz.ifremer.fr


IUCN: International Union for Conservation of Nature. www.iucn.org


Juveniel: individu dat nog niet de geslachtsrijpe leeftijd heeft bereikt.

 

Maximaal Duurzame Opbrengst (MDO): is de optimale vangst die theoretisch ieder jaar uit een visbestand kan worden gehaald zonder de voortplantingscapaciteit ervan in gevaar te brengen. Dit principe heeft vooral tot doel om stabiele en duurzame vangstniveaus te realiseren (en niet perse om een ideale bestandsgrootte in stand te houden, omdat deze ook door andere factoren door de visserij beïnvloed wordt en jaarlijks sterk kan verschillen). Als de vangsten hoger liggen dan de MDO – zelf zonder dat het bestand in gevaar wordt gebracht – leidt dit tot een lagere opbrengst dan optimaal zou kunnen. Dan is het mogelijk om met een lagere visserijinspanning grotere partijen vis te vangen of grote vissen te vangen (groeioverbevissing). Indien de vangsten nog hoger komen te liggen, komt de capaciteit tot het hernieuwen van de stock in gevaar (rekruteringsoverbevissing). In het Engels spreekt men van ‘Maximum Sustainable Yield’ (MSY).


Metier: visserijactiviteit, gedefinieerd door het gebruik van één specifiek type vistuig, specifieke doelsoorten en visgebied.

 

Opgehouden vis: als er in de vismijn geen kopers zijn voor bepaalde visserijproducten, wordt de verkoop gestaakt en worden deze producten aan de markt onttrokken. In bepaalde gevallen voorziet de Europese Commissie een compensatie. Als de vis moet vernietigd worden wordt een ‘communautaire ophoudprijs’ uitbetaald. Als de producten uiteindelijk toch nog kunnen verwerkt en vercommercialiseerd worden, voorziet men ‘steun voor verkoopuitstel’.

 

Overbevissing/Overexploitatie: het verschijnsel waarbij door visserijactiviteiten een te groot deel van de natuurlijke productie van een mariene soort weggenomen wordt. De vangsten zijn groter dan het vermogen van de soorten op zich te vernieuwen. Het  aantal geslachtsrijpe dieren is te laag om de vernieuwing van de stock te waarborgen.
• Groei-overbevissing: de visserij zet te veel druk op de juvenielen.
• Rekruteringsoverbevissing: de visserij zet te veel druk op de reproducerende individuen.


Pelagisch: pelagische vissen leven in de waterkolom, tussen het wateroppervlak en de zeebodem. Sardien, tonijn, haring en ansjovis zijn pelagische vissen. Ze worden bevist met pelagische sleepnetten, ringzegens, drijfnetten, sleeplijnen en beuglijnen.


Populatie: geheel van individuen van eenzelfde soort die samenleven binnen een bepaald ecosysteem. Eén populatie kan meerdere bestanden (stocks) omvatten.

 

Recreatieve visserij (of sportvisserij): visserijactiviteiten uitgeoefend door niet professionele vissers. De belangrijkste doelsoorten zijn: vis- en schaaldiersoorten met hoge commerciële waarde (zoals zeebaars, kabeljauw, tong, garnalen, kreeft) en minder commerciële waarde (zoals wijting, schar, makreel, horsmakreel). Diverse vistechnieken worden gebruikt in de strandvisserij (hengel, staand want, kruinetten) en op zee (boothengelen op wrakken, kleine vaartuigen met sleepnet). In andere landen wordt ook door duikers gevist en is het toegestaan om met de hand schelpdieren te verzamelen in het getijdengebied. Dit is in België verboden. In sommige gebieden worden de vangstvolumes op bepaalde doelsoorten door de sportvisserij geschat zeer groot te zijn. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn respectievelijk ongeveer 2,5 en 3 miljoen recreatieve vissers actief. Voor België zijn geen gelijkaardige cijfers voorhanden.

 

Rekrutering: het effectieve aandeel van juvenielen (rekruten) dat jaarlijks bijdraagt tot het hernieuwen van het bestand (verminderd met de natuurlijke sterfte en de visserijsterfte).


Selectiviteit: eigenschap van een vistuig of vismethode om enkel de doelsoort of een bepaalde grootteklasse op te vissen.

 

Soort: groep van levende wezens die qua uiterlijk en genetisch op elkaar lijken. Ze kunnen onderling reproduceren (zonder tussenkomst van de mens) en leveren daarbij vruchtbare nakomelingen op. Bij vissoorten kan het gebeuren dat groepen individuen van één soort zo ver van elkaar leven, dat ze elkaar niet tegenkomen (dan spreekt men van populaties).


Stock: zie ‘bestand’

 

Teruggooi: deel van de vangst die niet wordt aangeland om diverse redenen (ondermaats, overschrijding van de quota, beschadigde vis, lage marktwaarde) en wordt teruggegooid in zee, vaak dood of stervende. De teruggooi van bijvangst in de Europese visserij wordt geleidelijk geweerd vanaf 2015.

 

TTV: acroniem van ‘Totale Toegestane Vangst’. De TTV is het visserijbeheersinstrument dat indirect de visserijinspanning regelt door het instellen van globale vangstbeperkingen. Jaarlijks wordt de TTV voor een welbepaalde soort in een welbepaalde geografische zone vastgelegd. Deze TTV wordt vervolgens verdeeld onder die landen dewelke een actieve vissersvloot hebben die deze soort bevissen in het gebied.

 

Visserij: bepaald door een geografisch gebied, een geëxploiteerde stock en de vissersvaartuigen die er actief zijn.

 

Gemengde visserij: visserij op meerdere soorten en/of door meer metiers.

 

Visserijinspanning: de druk die een visbestand ondervindt door de visserijactiviteiten. Deze wordt enerzijds bepaald door de tijd (duur) waarin er gevist wordt en de efficiëntie van de vaartuigen en vistuigen (vlootcapaciteit).


Visserijsterfte: het aandeel van het totale aantal individuen dat jaarlijks sterft ten gevolge van visserijactiviteiten (in tegenstelling tot de natuurlijke sterfte, die het aandeel is van de totale aantal individuen die jaarlijks sterft door andere oorzaken dan de visserij). Visserijsterfte is voor het visserijbeheer een betere maat dan de bestandsgrootte, omdat visserijsterfte minder afhankelijk is van omgevingsfactoren die ook mee de bestandsgrootte bepalen.

 

VLIZ: Vlaams Instituut voor de Zee. Vlaamse zeewetenschappelijke instelling. www.vliz.be